Licht en duisternis. Over twee gedichten van Pierre Kemp  

Is er een groter en belangrijker element in ons bestaan dan het licht? Is er iets dat voor ons van grote waarde en betekenis is zonder dat het zich op metaforische wijze als ‘licht’ laat verstaan? Uiteindelijk kan zelfs dat verstaan zelf – het verstaan van alles wat ertoe doet –  als een vorm van verlichting worden gezien.

Een van de mooiste lichtgedichten die ik ken is ‘Het licht is rond’ van Pierre Kemp (1886-1967). Het is te vinden in zijn in 1940 verschenen bundel Transitieven en immobielen.

Het licht is rond

Het licht is rond en rolt naar alle kanten
de bergen op en af, de dalen door,
de wezens in en uit en langs de planten
stijgt het de bomen in en gaat het alles voor.
Waarheen? Ik vraag dat niet, ik kom, ik ga,
omdat mijn handen en mijn voeten,
mijn ogen en mijn hart zo moeten
en ik het licht nu eenmaal zo versta.

Waarom het licht ‘rond’ mag heten is niet rationeel of wetenschappelijk te verantwoorden. En dat hoeft ook niet, want het klopt, zoals het vervolg van het gedicht afdoende duidelijk maakt. Het licht is een dynamische  en vitale kracht, een levengevend élan – zó laat Kemp het ons door middel van zijn lichtgevende woorden zien. En horen: de voorlezende stem kan op basis van de structuur van het gedicht prachtige slingeringen hoorbaar maken van regel 1 naar regel 2 en van regel 3 naar regel 4 vooral: een kwestie van betekenis versterkende enjambementen.

Maar het licht volgt niet alleen de paden de schepselen, het gaat daar ook aan vooraf: het vormt ze in hun groei. Kemp schrijft dat het alles voorgaat, aan alles voorafgaat. Waar het zich ten slotte naartoe beweegt is niet te zeggen. Maar de dichter vraagt het zich ook niet af. Hij gaat maar en is, om het met een variant op de regel ‘Ik ga maar en ben’ van J.C. van Schagen (1891-1985 – wie kent hem nog?) te zeggen. De ik uit Kemps gedicht is in harmonie met het licht. Het rolt ook in hem en het beweegt hem voort. Dat aanvaardende leven, in eenheid met het licht, is een hoge vorm van begrijpen, van verstaan. De hoogste vorm, voorbij aan alle vragen. Volledig. Maar ook het gedicht is rond. Volmaakt.

In Kemps eerste bundel na de oorlog, Standard-book of classic blacks (1946), gaat het opnieuw over het licht. Maar nu is de dichter critisch, en melancholisch, gestemd.

Critisch

Ik voel mij door het licht verplicht
te leven,
maar eer ik me aan die plicht om ’t licht
wil geven,
moet ik weten, of het nog anders is
dan in brand gevlogen duisternis.

Van de met de werking van het licht verbonden vitale gevoelens, zoals we tegen ze tegenkwamen in ‘Het licht is rond’, is hier niets te bespeuren. Zoals we van lyrische gedichten mogen verwachten gaat het in beide verzen om momentane gevoelens. In ´Critisch´ wordt dat duidelijk uit de woorden ´maar eer ik me aan die plicht om ´t licht / wil geven, / moet ik weten’: er moet een besluit worden genomen. Daarvan gaat de suggestie uit, dat de eerste twee regels geen permanente toestand beschrijven. Het gaat om een inzinking van het levensgevoel: het licht gaat voor (zoals in ‘Het licht is rond’), maar de dichter voelt het op dit moment niet als iets wat hij zonder nadenken en als vanzelfsprekend volgt. De wil is tussenbeide gekomen, of beter nog: een mogelijke onwil. Van die (on)wil moet hij iets. Hij moet iets weten, er is in zijn geest een bange vraag gerezen (vergelijk in het eerdere gedicht: ‘Ik vraag dat niet’). Die vraag plaatst hem nu als het ware tegenover het licht. Wat als het licht niet een volmaakt autonome kracht is, volledig sui generis, in en van zichzelf volledig goed. Wat als het licht niet anders is dan ‘in brand gevlogen duisternis’? Als het licht met andere woorden niet meer is dan een afgeleide van het absolute duister. Namelijk als de afwezigheid daarvan. Wat dan? Het is voor de dichter een afgrondelijke gedachte. Want wanneer waar is wat hij plotseling vreest, staat niet vast – in tegendeel – dat hij het licht nog langer wil volgen. Het is als met goed en kwaad en leven en dood in de leer van Augustinus en Thomas. De duisternis mag niet meer zijn dan de afwezigheid van licht (tenebra privatio luminis; mors privatio vitae).

Aangrijpend, deze lichtkritiek van een dichter in 1946, na de wereldbrand.

WIEL KUSTERS

Eerder gepubliceerd in Speling. Tijdschrift voor bezinning, 2015/2.

De gedichten zijn geciteerd uit: Pierre Kemp, Verzameld werk. [3 delen]. Amsterdam, G.A. van Oorschot, 1976.

 

Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmailby feather