Tagarchief: Hetty-Kluijtmans

Pierre Kemp, Hetty Kluijtmans en de Zwarte Christus van Wyck

In de Sint-Martinuskerk in Wyck, Pierre Kemps parochiekerk, van waaruit hij op 26 juli 1967 werd begraven, bevindt zich een middeleeuws crucifix, de notenhouten Zwarte Christus van Wyck, dat in Maastricht en omstreken al eeuwenlang met grote devotie wordt vereerd.

Zwarte Christus processie

Volgens de legende van deze ‘Zwarte Christus van de Noot’, in de vroege zestiende eeuw op schrift gesteld, is het beeld ontstaan uit een noot die een bedevaartganger uit Riemst, tussen Maastricht en Tongeren, had meegebracht uit het Heilige Land. Hij gaf die noot aan zijn vrome dochter, die hem in de tuin plantte. Er groeide een boom uit met drie takken. Bij een hevig onweer werd hij door de bliksem getroffen. De volgende dag stond ‘in den myddel van den boom […] eyn schoen cruys mitter figuren onss heren.’[1]Toen het meisje enige tijd later intrad in het klooster van de Witte Vrouwen in Maastricht (daar waar later ook Marieken van Nieumeghen haar toevlucht vond, op de plaats waar nu het Theater aan het Vrijthof staat) voerde zij het wonderbare beeld daar mee naartoe. In de Franse tijd werd de Zwarte Christus verborgen in Wyck. Sinds 1804 verblijft het beeld in de parochiekerk van dit stadsdeel, op vijf minuten lopen van Pierre Kemps huis in de Turennestraat.

In 1962 vonden in het interieur van de kerk wijzigingen plaats, ook met betrekking tot de plaatsing van de Zwarte Christus. Daarover valt te lezen in de databank van het Meertens Instituut. Het corpus werd van het kruis gehaald en boven een nieuw zij-altaar tegen een wandkleed gehangen.

Dat wandkleed was een creatie van de in Heerenveen geboren, in Roermond opgegroeide, in Den Haag opgeleide en sinds 1945 in Maastricht werkende kunstenares Hetty Kluijtmans. Zij was een zus van kapelaan J.M. Kluijtmans, die van 1945 tot 1964 kapelaan was van de Sint-Martinuskerk en secretaris van de Broederschap van het H. Kruis. In 1959 had zij illustraties gemaakt voor een in dat jaar verschenen boekje over de Zwarte Christus.[2]

Hetty Kluijtmans, illustratie in 'Het Zwarte Christusbeeld in de Sint Maartenskerk te Wijk Maastricht'. Maastricht, 1959.
Hetty Kluijtmans, illustratie in ‘Het Zwarte Christusbeeld in de Sint Maartenskerk te Wijk Maastricht’. Maastricht, 1959.

Hetty Kluijtmans (1917-1998) had in 1954 contact gezocht met Pierre Kemp, wiens werk ze bewonderde, en uit die kennismaking was een artistieke en intellectuele vriendschap ontstaan. Ik citeer Pierre Kemp, zoals hij over hun eerste ontmoeting aan het woord komt in Pierre Kemp. Een leven:

Op zekere namiddag in October 1954, zit ik voor mijn bureau te dichten en plotseling komt mijn hele radarsysteem in actie. Ik kijk naar buiten en zie daar een juffrouw naast een fiets lopen en zoeken. Ik ga naar buiten, de straat op, laat mijn hoed mijn schedel verlaten en vraag aan de zoekende juffrouw: Wien zoekt gij. Als zij geantwoord had: Jezus van Nazareth, had ik niet zo verbaasd geweest, als toen zij antwoordde: Pierre Kemp![3]

Hetty Kluijtmans in Milaan, waar zij in 1958 studeerde aan de Accademia di Belli Arti di Brera. Foto uit: Wiel Kusters, 'Pierre Kemp. Een leven'. Nijmegen, Vantilt, 2010.
Hetty Kluijtmans in Milaan, waar zij in 1958 studeerde aan de Accademia di Belli Arti di Brera.
Foto uit: Wiel Kusters, ‘Pierre Kemp. Een leven’. Nijmegen, Vantilt, 2010.

Ter gelegenheid van de herinstallatie van het Zwarte-Christusbeeld, en zeer waarschijnlijk dus op verzoek van Hetty Kluijtmans of haar broer de kapelaan, heeft Pierre Kemp, die van jongs af geïnteresseerd was in volksverhalen (zie bijvoorbeeld zijn in 1925 verschenen Limburgs sagenboek) in februari 1962 gewerkt aan een beknopte, nooit definitief geworden en nooit gepubliceerde herdichting van de legende. Hij deed dat in (quasi)naïeve stijl, passend bij het onderwerp, maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat wat hij er binnen het gekozen stijlsjabloon van terechtbracht niet bijzonder virtuoos was. Kempiaans was het wel, zeker in de inleiding tot het verhaal. Daar begint hij zijn versie van het vrome verhaal meteen met het enigszins wufte beeld van een jurkje aan een waslijn.

Er hangt een jurkje over een lijn,
of het er een van vandaag zou zijn.
Neen, niet van gisteren of nog eer,
van coupe en kleur modern en niet te teer.[4]

Het kan haast niet anders of dit was een enigszins provocatieve (maar vrijwel uitsluitend voor hemzelf begrijpelijke) toespeling op het verwijt dat hij in april 1960 van de criticus J.H.W. Veenstra in Vrij Nederland had moeten incasseren. Schrijvend over Kemps erotisch geïnspireerde gedichtenbundel Garden 36, 22, 36 inches, had Veenstra onder de kop ‘Pierre Kemp: ondergoed aan een rijmend lijntje’ zijn weerzin uitgesproken tegen de wijze waarop de dichter meende zijn ‘lingeriemanie’ in dichtvorm te moeten etaleren. Kemp revancheerde zich door voor de kern van zijn vriendenkring enkele gedichten te schrijven onder de nonsensnaam Pierre de la Vaslin des Linges-Lyriques: Pierre van de Waslijn van Lyrische Lingerieën.

Het jurkje waarmee de poëtische piraat Kemp in de openingsregels van zijn Zwarte-Christuslegende vlagt, behoort weliswaar niet toe aan Anna van Riempst (Riemst), de dochter van de pelgrim naar het Heilige Land, maar de dichter oppert wel even die mogelijkheid – om ze al snel ook weer te verwerpen.

Is het van Anna, die zo graag hoort
naar vaders verhaal en niet wordt moe
van de zang van Sint Fortunaat:
‘Mosa dulce sonans’ en dat gaat
over de Maas en haar aangenaam geruis
langs bos en veld, langs basiliek en huis.
Maar Anna woont in Riempst en zelden kan
zij, dochter van een pelgrimerend edelman,
rijden de weg die naar de Maas geleidt,
de Maas, die zelden bruist en nimmer schreit.
Die vader-edelman in zijn zielenood
zocht naar genezing en besloot
de goede tocht naar Jezus’ graf
berg-op, berg-af.

Met Sint Fortunaat doelt Kemp op Venantius Fortunatus (ca. 536-610), dichter en bisschop van Poitiers.

‘Op het einde van de zesde eeuw bezong de dichter Venantius Fortunatus (c. 535-na 600) de rivieren Moezel, Aisne en Maas. Van de Maas zei hij: “Aut Mosa dulce sonans, quo grus, ganta, anser, olorque est / Triplice merce ferax (alite, pisce, rate).”’ (De zacht ruisende Maas, waar kraanvogel, gans, eend en zwaan leven, / Draagt drie koopwaren: vogel, vis en vlot).[5]

Hoe Pierre Kemp tot deze associatie kwam – dus tot het opvoeren van Fortunatus in zijn versie van de legende van de Zwarte Christus van de Noot – laat zich misschien begrijpen als we de legende plaatsen in het kader van de Kruisverering in het algemeen. Van Venantius Fortunatus is ook de befaamde kruishymne Vexilla Regis: ‘Vexilla regis prodeunt: / Fulget crucis mysterium, / Quo carne carnis conditor / Suspensus est patibulo’: ‘Des konings vaandels gaan vooraan, / ’t geheim des kruises grijpt ons aan, / dat op het schandhout uitgespreid / de Schepper als een schepsel lijdt.’ Franz Liszt (Via Crucis) en Anton Bruckner (motet Vexilla Regis) lieten er zich door inspireren.

Opmerkelijk in Kemps verhalende gedicht is dat hij daarin niet Christus tot Anna laat spreken, maar het Kruis. Het Kruis en het corpus van Christus (in strikte zin aan het kruis gespijkerd en daarmee niet samenvallend) zijn bij hem een en hetzelfde. Dit moet wel te maken hebben met de houding van de Zwarte Christus, die als het ware het kruishout incorporeert. (Mogelijk was dit ook de achtergrond van de in 1962 gemaakte keuze om het houten kruis achter de Zwarte Christus te verwijderen.)[6]

Het gedicht van Kemp, in zijn laatste bekende versie gedateerd 24 februari 1962, eindigt met de overbrenging van de Zwarte Christus vanuit zijn schuilplaats naar de kerk van Wyck:

Het Kruis werd op versierde wagen geladen.
De witte ossen trokken plechtig, dan vastberaden
hielden zij, midden in een groots koraal,
stil voor het Wijker kerkportaal
Gewijde handen droegen toen het Kruis
naar het altaar, zijn uiteindelijk tehuis.
Daar staat Het nog tussen de rode lichten,
de kaarsen en de hoopvolle gezichten.
Dit is het einde van het berijmd relaas
van het Zwart Kruis bij de ruisende Maas.

Kemps papieren bevatten ook nog een uitgebreidere variant van de laatste vier regels. Daarin maakt hij zich op wel enigszins ontroerende wijze bekend als de schrijver van het voorafgaande. En als iemand die zijn einde voelt naderen.

Daar staat het Kruis na vele avonturen,
maar zolang kan mijn gedicht niet meer duren.
Ik luister nog in Anna’s geest naar het gezang
op de wijs van de Maas, maar niet meer lang.
Haast moet ik gaan, op weg naar ’t Eeuwig Huis.
Dag ruisende Maas, dag luisterend Heilig Kruis!

Met als een extra variant voor de twee allerlaatste regels

Hier eindigt P.K. zijn berijmd relaas,
met het Zwart Kruis al luisterend naar de Maas.

 

***

[1] Geciteerd naar: Het Zwarte Christusbeeld in de Sint Maartenskerk te Wijk-Maastricht.

 Maastricht, Broederschap van het H. Kruis, 1959.

[2] Zie noot 1. De omslagfoto was gemaakt door de Brabantse fotograaf Martien Coppens.

[3] Meer over Hetty Kluijtmans en haar vriendschap met Pierre Kemp in Wiel Kusters, Pierre Kemp. Een leven (Nijmegen, 2010), 550-559, 583.

[4] Ik citeer naar het manuscript dat zich bevindt in de nalatenschap van de dichter (Regionaal Historisch Centrum Limburg, Maastricht).

[5] P.J.H. Ubachs, Handboek voor de geschiedenis van Limburg. (Hilversum, 2000), 69.

[6] In 1989 werd toch weer een nieuw exemplaar gewijd en achter het corpus aangebracht.

Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmailby feather