Bureau van Kemp in Heerlen

Vandaag maakte dit bestuurslid van de Pierre Kempstichting weer een gevalletje van hoger toeval mee.

Begin juli is in het centrum van Heerlen een nieuwe boekhandel geopend: Van der Velden van Dam. Dat is op zichzelf al een heugelijk feit, zeker nu zelfstandige boekhandels het niet heel makkelijk hebben. In veel steden verdwijnen boekhandels juist of kost het grote moeite om te overleven. Ik was er eerder al een keer binnengelopen, nieuwsgierig naar wat ze hadden.

Vandaag liep ik tijdens mijn lunchpauze zoals gebruikelijk het centrum van Heerlen in en liep ook Van der Velden van Dam binnen om navraag te doen naar een bepaald boek. Terwijl ik in de winkel was, werden de laatste lades in een oud bureau geschoven.

Ik bleef nog wat hangen en vroeg naar een schrijversportret van de dichter Marsman dat ik zag staan in de winkel. De eigenaresse wees mij vervolgens op het bureau en meldde dat dit een bureau van Pierre Kemp was. Wat een leuke verrassing!

Kemp zou twee bureaus hebben gehad. Het ene staat in de Universiteitsbibliotheek Maastricht, waarover wij al eerder berichten. Het ‘andere’ bureau, hierboven afgebeeld, staat dus in Heerlen en is bedoeld voor stadsdichters om aan te schrijven.

Bovenop het bureau, dat het kleine tafeltje dat eerst op die plek stond vervangt, staat ook een portret van Kemp, zoals op de foto is te zien. Natuurlijk heb ik meteen verteld dat ik dit als bestuurslid van de Pierre Kemp Stichting erg leuk vond.

Inmiddels heeft de boekhandel op haar Facebookpagina ook een vermelding met foto geplaatst.

Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmailby feather

Aardvlo

De herdenking van de eerste bemande maanlanding, Apollo 11, vijftig jaar geleden is een goede aanleiding voor de publicatie van een nog onbekend gedicht van Pierre Kemp (1886-1967), de grote Maastrichtse dichter (P.C. Hooftprijs 1958).

Het titelloze gedicht, geschreven op 20 maart 1963 en genummerd 63.043 (dat wilde in Kemps eigen administratie zeggen: het vierendertigste gedicht uit het genoemde jaar), is een van de vele uit de ongepubliceerde nalatenschap van de dichter.

[zonder titel]

Vroeger ging ik langs een ladder van bloemennamen
vaker naar de maan
en rook vandaar aan de parfum van de aarde
en al de lieflijkheid van rozen en traan,
dat mij voor winterhemden spaarde.
Ik zag de maan van zeer nabij
en waagde woorden. Toen schimpte zij:
Aardvlo, blijf ver van mij vandaan!

Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmailby feather

‘een niet zo kwaadaardige léautaud’

Lezend in de memoires van de schrijver Pierre H. Dubois (1917-1999) kwam ik een beschrijving tegen van het bezoek dat deze in mei 1956 bracht aan de destijds negenzestigjarige Pierre Kemp.

Dubois citeert uit een brief die hij daarover schreef aan Jan Greshoff:

‘Ik bracht […] enkele dagen door in Maastricht, waar ik kennismaakte met de [bijna] 70-jarige Pierre Kemp, een klein, vrij lelijk, maar guitig, slim, een beetje satanisch mannetje, met een hoog, stijf wit boord, een brilletje, een zwart lusteren jasje en een zwart deukhoedje, dat hij tijdens het gesprek naast zich op zijn glimmend bureau-ministre legde.

Hij leek een heel klein beetje op een niet zo kwaadaardige Léautaud, al hoonde hij het katholieke zuiden nogal, waar hij met zijn polygame natuur zich altijd wat beklemd had gevoeld. Hij genoot nog zichtbaar van (waarschijnlijk geheel imaginaire) herinneringen aan vrouwen, toch wel het interessantste wat het leven biedt, vond hij, naast muziek en kleuren. Daarom was hij zo bedroefd over het ouder worden, want dan kon je over die dingen alleen nog maar dénken, en de aardigheid was er dan toch voor een goed deel wel af. Ik zei dat ik me dat kon voorstellen, maar dat kon ik mij, volgens zijn zeer juiste opmerking, natuurlijk niet, want ik wás nu eenmaal nog niet oud. Zo praatte ik drie kwartier met hem en vond het allergenoeglijkst.’

Pierre H. Dubois, Memoranda [deel 3]. Een soort van geluk (1952-1980). Amsterdam, Nijgh & Van Ditmar, 1989.

Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmailby feather

Pater Jos. van Well S.J.

Een van de belangrijkste figuren in het leven van de jonge Pierre Kemp, tussen zijn vijfentwintigste en tweeëndertigste – belangrijk als mentor van zijn geestelijke en artistieke ontwikkeling en als promotor van zijn schilderkunstige en dichterlijke talent – was pater Jos. van Well S.J. (1866-1943). In mijn biografie van Kemp komt men hem dan ook herhaaldelijk tegen.

Pater Van Well in zijn slaap- en studeerkamer. Foto uit: Wiel Kusters, ‘Pierre Kemp. Een leven’. Nijmegen, Vantilt, 2010.

Van een intensieve relatie was waarschijnlijk geen sprake meer sinds de dichter in december 1916 een betrekking had aanvaard op het loonbureau van de steenkolenmijn Laura in Eygelshoven en ruim een jaar later in het huwelijk was getreden met Tina Mommers. Wel schonk Pierre Kemp zijn vroegere leidsman in 1920 een exemplaar van de tweede druk van Het wondere lied. In december 1922 bedacht hij hem met een afschrift van twee zangen uit zijn work in progress ‘De Tocht’. In 1925 vereerde hij hem met een exemplaar van zijn Limburgs sagenboek.

In mijn biografie schreef ik dat ‘deze weinige feiten met betrekking tot hun contact in de jaren 1920 worden gecompleteerd door de opdrachten die Pierre schreef in de voor Van Well bestemde presentexemplaren van twee kinderboeken, Het paradijs der kinderen en andere legenden en De verdwenen vallei en andere legenden, beide uit 1926.

Onlangs is nóg een opdracht aan Van Well opgedoken. Op 15 november 1920 schreef Pierre Kemp in een exemplaar van zijn novelle Zuster Beatrijs:

‘Opgedragen aan mijn geestelijken Vader, met die woorden, die de ziel kan zingen en de mond niet eens stamelen kan.’

Collectie Marc Beerens, Nijmegen.

Het nu tevoorschijn gekomen boek heeft deel uitgemaakt van de huisbibliotheek van het retraitehuis Manresa in Venlo, waaraan pater Van Well van 1908 tot aan zijn dood in 1943 verbonden was.

Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmailby feather

Mien Holla: Muze van de tulpenboom

Pierre Kemp zat nooit om Muzen verlegen.

In augustus 1940 kreeg hij een brief van de negentienjarige Mien Holla uit het Noord-Limburgse Siebengewald. De jongedame studeerde oude talen in Nijmegen, wilde schrijfster worden en wendde zich nu ‘in nood’ tot de dichter van Het wondere lied. Daarmee begon een epistolaire relatie die ondanks allerlei ups and downs tweeëntwintig jaar zou duren, in welke periode Mien Holla het van ‘leerling’ van Pierre Kemp wist te schoppen tot de Muze uit Limburgs Noorden, alias de Muze van de Tulpenboom.

De nood waarin het dichteresje was komen te verkeren en die haar ertoe had gebracht zich tot de Maastrichtse dichter te wenden, omdat ze dacht dat híj alleen haar kon begrijpen, was een gevolg van het feit dat ze zonder medeweten van haar vader door een Venlose firma driehonderd gedichtenbundeltjes had laten drukken en nu met de rekening werd geconfronteerd. Haar vader was zeer boos geworden en bijna had ze zelfmoord gepleegd. Alleen haar heilige katholieke geloof had haar daarvan weerhouden. Kon Pierre Kemp haar misschien zeggen of ze werkelijk talent had? Wilde hij alstublieft terugschrijven? ‘Aan u, bij wien ‘k heb uitgeschreid/ zij mijn oprechte dank gewijd.’

Jammer genoeg zijn Kemps brieven aan Mien Holla tot nu toe niet teruggevonden, maar om zijn antwoord had zij, naar ze eind augustus alweer schreef, ‘gebruld van het lachen’. Ineens had ze de humor van het geval gezien. ‘Hebt u niet ’n beetje geglimlacht om mijn ontboezemingen? Ja, ik ben vaak ’n echte baby al wordt [sic] ik 10 Dec. al twintig. […] Ik vond u erg aardig in uw brief en ik zou graag willen dat u je schreef.’ Kemp had haar een van zijn bundels gestuurd. Ze wilde zich niet vermeten daar een oordeel over uit te spreken, maar ze geloofde wel dat hij vaak eenzaam was. Hoewel niet verbitterd, juist ‘wonderlijk blij om alles’.

Eind augustus 1944 stuurde Pierre Kemp haar de drie gedichten die hij al in de herfst van 1942 voor haar had gemaakt, zonder ze destijds ook te verzenden. Het bijzondere was dat hij deze verzen op wel heel ongewone dragers schreef: op bladeren van de tulpenboom (Liriodendron tulipiferum), al ging dat moeizaam en moest hij de tekst er voor de duidelijkheid op papier aan toevoegen.

De vorm van de gedichten – negen regels, waarvan de laatste vier iets korter dan de eerste – was aangepast aan de vorm van het blad.

Zo had de Muze uit Limburgs Noorden er een titel bij gekregen: Muze van de Tulpenboom. In zijn brieven stuurde hij ook wel eens onbeschreven bladeren mee van ‘haar’ boom, ten teken dat hij op zijn wandelingen aan haar gedacht had. Wat de gedichten betreft (hij heeft ze nooit gepubliceerd), nummer één begon zo:

Mijn donkre Leerlinge in dit neevlig leven,
voor jou heb ik me in ’t welkend park gebukt
om aan dees blaadren een gedicht te geven,
nu de vervoering zoo mijn geest verrukt.

In het tweede gedicht laat de dichter zijn vingers spelen door haar haren, terwijl hij naar haar ‘lied zoo lief en echt’ luistert. De intimiteit van het bed wordt gezocht, maar zuiver virtueel.

Strijk voor het slapengaan eens met je hand
een arabeske rond je blij verstand
tot een accent van lijzen tik
in ’t midden. Sus met glimlach zacht:
dat doet de Meester en niet ik;
hij wenscht ons samen goede nacht!
En nummer drie luidt:
Nu is de Meester moe, ook hij zoekt rust.
Hij kroonde speelsch je en toch, het valt hem zwaar.
Hij heeft je wezen in den geest gekust
en lei drie tulpboomblaadren op je haar.
’t Is dichter-modieus een raren hoed,
maar in den droom staan zulke hoeden goed.
’t Model is van den Meester, die
de waarden van die dingen weet
en voor den nacht met fantasie
aldus zijn dichteresje kleedt.

De tulpvormige bladeren die Kemp voor het romantische vastleggen van zijn gedichten voor Mien Holla gebruikte, had hij opgeraapt bij twee Tulpenbomen (Liriodendron tulipifera) in het Maastrichtse Stadspark.

Die bomen staan er nog, in het gedeelte dat Mgr. Nolenspark heet, langs het pad evenwijdig aan de Heylerhofflaan. (Iets verder dan het parkgedeelte dat in 2017 naar Pierre Kemp is vernoemd.) Vorig jaar heb ik ze op een mooie novemberdag op de foto gezet.

Tulpenboom in het Maastrichtse Stadspark. Foto: Wiel Kusters
Tulpenbomen in het Maastrichtse Stadspark. Foto: Wiel Kusters

Mien Holla heeft naar het schijnt buiten haar in eigen beheer uitgegeven debuutbundeltje (waarvan ik geen exemplaar heb kunnen vinden) na de oorlog ook nog gedichten gepubliceerd in het katholieke weekblad De Linie. Ook dat werk ken ik niet. Wie er iets meer over weet, is welkom met een tip.

Mien Holla was zonder twijfel Kemps ‘lastigste’ Muze, gecompliceerd onder een masker van eerlijke en probleemloze directheid en soms kinderlijk uitdagend.

In mijn biografie van de dichter, Pierre Kemp. Een leven (2010), komt deze relatie, die tot 1962 heeft geduurd, uitvoerig ter sprake.

Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmailby feather

Kemp en magritte

Nachtstilte

Het is zo stil boven de planten,
boven de lage en boven de gerankten
en de lucht is alleen vol reuken
van ranonkelingen in de grote wei.
Het is zo stil in de keuken
en de maan schijnt op een ei.

Voorjaar 1934. De dichter is uit zijn bed gekomen, voor een glas water misschien. Het stille leven van de planten buiten, achter het keukenraam, laadt de slaap- en droomloze momenten met een moeilijk grijpbaar iets, een essence, die als geur zelfs van ver lijkt te komen aandrijven, uit de ‘grote wei’ (waarmee niet niet de tuin van de dichter in de Maastrichtse Turennestraat bedoeld zal zijn).

Kemp schreef dat gedicht op een achtste april, bijna vijfentachtig jaar geleden.

Hij schrijft ‘gerankten’ (met een n aan het eind, een slordigheidje waarschijnlijk), en doelt daarmee op planten die rank omhoogsteken. Van ‘ranonkels’ maakt hij ranonkelingen, waardoor ze nog wat minder grijpbaar en geheimzinniger worden. En dan noteert hij deze verrukkelijke regels: ‘Het is zo stil in de keuken/ en de maan schijnt op een ei.’

Van geluidloosheid via geuren naar een uiterst puur visueel motief.

De stilte wordt adembenemend.

Voor zover ik weet heeft Kemp, zelf gedurende twee periodes actief als kunstschilder, zich nooit uitgelaten over de artiste peintre René Magritte. Surrealisme en magisch realisme waren geen termen waarmee je hem aan boord moest komen. Toch ontkom ik er niet aan, bij de laatste regels van ‘Nachtstilte’ even aan Magritte te denken. Aan ‘La Clef des songes’ bijvoorbeeld, uit 1930, het laatste doek van de gelijknamige serie. Het geschilderde ei wordt begeleid door het woord ‘l’Acacia’, het woord ‘la Lune’ staat onder de afbeelding van een damesschoen. Een ei, de naam van een boom als exempel van vegetatief leven, de maan, schoeisel van een vrouw. Een associatieve reeks van woorden en beelden die aan Kemps geest had kunnen ontspruiten.

René Magritte: La Clef des songes
René Magritte: Les Affinités électives

Of neem ‘Les Affinités électives’ (1932): het ei (dat geen vogel is en ook geen vrouw, maar ondertussen!) in een kooi. Mijn eigen associatielust voert me terug naar de ‘plant in een kooi’ uit Kouwenaars gedicht ‘de taal’, waarover ik elders heb geschreven. Maar ook, en dat lijkt me relevanter, naar Kemps gedicht ‘Kamerplanten’, uit 1934.

Kamerplanten

Over de bloemen die achter de ruiten staan
schijnt de maan.
Ze zijn niet meer van heden
maar schijnen gebleekt en overleden.
Ze leven niet meer naakt met lucht en licht
en hebben al een tulen gezicht.

Het zijn opgesloten planten. Vormen van het allerstilste leven. Achter gordijnen van tule, als achter sluiers die hun gezicht bedekken. Ook hier lijkt Magritte niet ver.

***

Een mooi klein commentaar van Huub Beurskens bij Kemps ‘Kamerplanten’:

Wat een prachtig inzichtelijk evocatief en toch geraffineerd gedichtje over die kamerplanten die het schijnen van de maan aan- en overnemen!

Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmailby feather