G.A. van Oorschots liefde voor Pierre Kemp

Een vrouw hangt waschgoed aan de lijn,
zij heft haar armen in gebed naar boven;
hoe zou die vrouw ook niet intens geloven
en niet voluit gelukkig zijn
nu ’t voorjaar komt? De ruime wind
speelt dartel in de hemden en de broeken
en vrijt luidruchtig met een wapprend lint.
O welk geluk nooit ver te zoeken
wijl men ’t reeds aan een waschlijn vindt.

 

Een gedicht van Pierre Kemp?

Ik kwam het, zonder titel, tegen in Geert van Oorschot, uitgever, de onlangs verschenen biografie van G.A. van Oorschot, geschreven door Arjen Fortuin. Van Oorschot, die dichterlijke aspiraties had, publiceerde zijn voorjaarsgedicht in april 1946 in het tijdschrift De Baanbreker. Uit zijn versje blijkt hoeveel hij destijds al hield van het werk van de Maastrichtse dichter, van wie hij in 1949 met Forensen voor Cythère en andere gedichten de uitgever werd. Van Oorschot zou in totaal zes titels van Kemp uitgeven (waaronder de dubbele bundel De incomplete luisteraar. De sieraden, 1961). In 1976 verscheen bij Van Oorschot Pierre Kemps Verzameld werk in drie delen.
Helaas is tegenwoordig van Pierre Kemp bij zijn uitgever niets meer leverbaar.

Het gedicht dat Geert van Oorschot in 1946 in De Baanbreker publiceerde had op enkele kleinigheden na inderdaad net zo goed van Pierre Kemp kunnen zijn. (Maar de lyrische uitroep ‘O welk geluk…’ had deze zeker vermeden.) Dat zit hem niet alleen in het beeld van een vrouw die de was uithangt, dat gezien lijkt vanuit de trein – men komt zulke beelden ook bij de ‘treindichter’ Kemp tegen –, maar ook in toon en ritme. En in de wijsheid van het kleine geluk.

boeken

Dikwijls is er in verhalen over Geert van Oorschot als uitgever sprake van zijn liefde voor de Vlaamse dichters Jan van Nijlen en Richard Minne. Minder vaak leest men over zijn grote genegenheid voor het werk van de Limburger Pierre Kemp. Jammer. Die drie zijn onmiskenbaar familie van elkaar.

Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmailby feather

Te plechtig of te hoog van toon? A. Roland Holst en Pierre Kemp

A. Roland Holst, gefotografeerd door Lucebert. (Foto ontleend aan www.hetgeheugenvannederland.nl
A. Roland Holst, gefotografeerd door Lucebert.
(Foto ontleend aan www.hetgeheugenvannederland.nl

Geen groter verschil tussen dichterlijke persoonlijkheden, in poëticaal en sociaal opzicht, dan dat tussen Pierre Kemp en A. Roland Holst (1888-1976). Tussen de dichter afkomstig uit een Maastrichts arbeidersmilieu, die voor zijn beste en meest typerende werk blijvende inspiratie vond in de ‘gewone’ dingen om hem heen (‘Het is zo stil in de keuken / en de maan schijnt op een ei’), en de ‘Prins der dichters’, opgegroeid in een welgesteld gezin in het Gooi en representant van een aristocratisch en profetisch dichterschap. Tussen de sterk zintuiglijke en aardse dichter en de schrijver van een hooggestemd oeuvre vol heimwee naar een mythische wereld achter de kim. Tussen de teruggetrokken Kemp, die zijn boterham had verdiend met kantoorwerk op het loonbureau van een Zuid-Limburgse steenkolenmijn en de van jongs af rentenierende Roland Holst, een Bekende Nederlander, die relaties onderhield met het koningshuis.

Een dergelijk verschil hoeft natuurlijk niet te betekenen dat beide dichters elkaars werk niet konden waarderen. A. Roland Holst maakte deel uit van de vijfhoofdige jury die aan Pierre Kemp de P.C. Hooftprijs 1958 toekende (op 26 mei 1959 uitgereikt ten huize van de dichter in de Turennestraat). Holst en Kemp hadden op vrijdag 22 maart 1957 met elkaar kennis gemaakt, toen de in Bergen (N.H.) woonachtige dichter, onderweg van Brussel naar huis, zijn Maastrichtse collega had opgezocht in gezelschap van de uitgever Bert Bakker en zijn vrouw. In feite betrof het een verlaat verjaardagsbezoek. Kemp was op 1 december 1956 zeventig geworden; Holst had meegewerkt aan het Liber Amicorum voor de jarige en Bakker had diens ‘jubileumbundel’ Engelse verfdoos uitgegeven.

Roland Holst had een half jaar later, op 23 mei 1958, de leeftijd der sterken bereikt en was door Kemp bij die gelegenheid vereerd met een vijfdelige gedichtenreeks (in Kemps terminologie een ‘suite’) onder de titel ‘Facetten van het dichterleven’.

Roland Holst had Kemp voor dit verjaardagsgeschenk bedankt met een brief waarin hij onder andere schreef, met hoffelijke zwier: ‘Mijn gedichten maken het U – vrees ik – nauwelijks aannemelijk, dat mij de Uwe zoo dierbaar zijn’.[1]

Dat ging dus over het hierboven bedoelde verschil tussen beider werk.

Een jaar later kwam dit aspect van hun verhouding – een verhouding op afstand, maar daarom niet minder van vriendelijke aard – opnieuw ter sprake. Kemp had Holst na de uitreiking van de P.C. Hooftprijs twee recente gedichtenbundels toegestuurd (Twee families en één poederblauw, 1958, en Emeritaat, 1959). Holst antwoordde op 6 juni 1959 vanuit Bergen:

De ontvangst van uw beide bundels, met opdrachten, gaf mij een warm gevoel van dankbaarheid, een brandend gevoel van schaamte. Toen de prijs werd uitgereikt was ik met Bert Bakker in Luxemburg, waar ik mijn [71e] verjaardag ontvluchtte, anders had U mij zeker ook zien opdagen, want geen lid van de jury was, met Morriën, zóó verheugd, dat de Hooftprijs U werd toegewezen, al bij de 2e vergadering, als ik. – Bakker en ik hadden het voornemen, U samen uit Luxemburg onze gelukwenschen te schrijven, maar het gelukkige leven van die dagen bleek ruïneus voor alle goede voornemens – en toen ik hier terugkwam vond ik een verjaardagspost, mij een weeklang epistolair paralyseerde. Het is de eenige verontschuldiging – maar zij mag gelden, hoop ik.’[2]

Samen met zijn brief stuurde Roland Holst Kemp een exemplaar van het samen met Simon Vestdijk gepubliceerde Swordplay Wordplay. Kwatrijnen overweer (1950). Als opdracht schreef hij daarin:

Voor Pierre Kemp,
met warmen dank voor
zooveel gedichten, die zelfs
déze wereld nog bewoonbaar
maken –
van
A. Roland Holst

Bergen N.H. –
6.vi.’59

Het is in het licht van het hierboven beschrevene een interessante opdracht. Kemp was inderdaad een dichter van ‘déze wereld’, anders dan Roland Holst met zijn hang naar het bovenzinnelijke.

In zijn brief knoopte Holst hier nog een bekentenis aan vast:

Uw presentexemplaren (ook het vorige) had ik al lang beantwoord met iets van mijzelf, als ik niet zoo onzeker was geweest van een ‘dichterlijk welkom’ – ik zou mij n.m. zoo goed voor kunnen stellen, dat mijn gedichten U bepaald niet “liggen” (te plechtig of te hoog van toon) – daarom stuur ik U hierbij een exemplaar, dat ik nog vond, van het kwatrijnen-duel, dat ik indertijd met Vestdijk uitvocht. –

Als ik ooit weer eens in Limburg verzeild raak,  mag ik ’t U dan laten weten om een bezoek af te spreken?

Met vriendelijke groet – en de meeste hoogachting,

Uw A. Roland Holst

 

[1] Wiel Kusters, Pierre Kemp. Een leven. Nijmegen, 2010, 573.

[2] Regionaal Historisch Centrum Limburg, Maastricht, Archief Pierre Kemp. De overige juryleden waren Garmt Stuiveling (voorzitter), Max Nord en Jan Wit. De prijs werd Pierre Kemp in zijn werkkamer namens de minister overhandigd door dr. J.H. Wesselings, secretaris-generaal van het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen.

Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmailby feather

499.9991/2

Kakatoe. Geïllustreerd Nederlandsch Maandschrift. 1e jaargang no. 2. Sept.-Oct. 1924. Uitgave S.L. van Looy, Amsterdam
Kakatoe. Geïllustreerd Nederlandsch Maandschrift. 1e jaargang no. 2. Sept.-Oct. 1924.
Uitgave S.L. van Looy, Amsterdam.

In dit blijkens de Nederlandse Centrale Catalogus (NCC) in geen enkele Nederlandse bibliotheek aanwezige tijdschrift, KAKATOE staat een onbekend verhaal van Pierre Kemp met als titel:
‘499.9991/2’

Later meer hierover op deze site.

Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmailby feather

Pierre Kemp in de Turennestraat (1)

Ondanks zijn wat schuchtere, om niet te zeggen schuwe aard onderhield Pierre Kemp goede relaties met een aantal buurtgenoten in de Maastrichtse Turennestraat.
Het was echt zijn habitat.

In september 1958 zocht Willy Paulissen, tweeëntwintig jaar oud, woonachtig op nummer 5 en zoon van de man die Kemp in 1955 aan zijn Engelse verfdoos had geholpen, contact met de dichter. Willy studeerde aan de kweekschool voor onderwijzers Christus Magister in Heerlen, waar hij les kreeg van de neerlandicus Harry G.M. Prick (1925-2006), die zelf sinds januari 1958 een geanimeerde correspondentie voerde met Pierre Kemp. Prick had Paulissen junior erop geattendeerd dat een groot dichter bij hem in de straat woonde. Daar was Willy zich tot dan toe niet van bewust geweest. Hij besloot zijn werkstuk voor het examen Nederlands, af te leggen in 1959, aan Kemp te wijden en vroeg belet bij zijn studieobject.

Van zijn tweede bezoek aan Pierre Kemp heeft Willy Paulissen aantekening gehouden.[1] De visite vond plaats op dinsdag 21 oktober 1958 van 8 tot 9 uur ’s avonds.
Het gesprek ging achtereenvolgens over toneel, voordracht en ballet, over kleurenpsychologie, over Chinese en Japanse dichters, over de gedichtenbundel Vier families en één poederblauw (1958), over het boek The Romance of Chinese Art (1936) van R.L. Hobson en anderen, waarvan Kemp een exemplaar bezat, en over het kopen van boeken.
Wat het eerste onderwerp betreft, zei Kemp niet te houden van voordracht. ‘Volgens hem moet men een gedicht in stilte genieten om de geluiden zelf te kunnen horen, want ’n gedicht wordt immers ook bij diepe stilte van dichter en omgeving geboren […]. Op mijn vraag of hij dan ook niet van toneel hield en de voordracht niet als kunst beschouwde, lachte hij even en zei, dat ieder zijn eigen voorliefde heeft. Hij kon de gedragen, slepende toon niet waarderen en meende dat de nederlandse voordracht steeds te dramatisch en droefgeestig was, terwijl toch niet steeds aanleiding toe was. […]
In zijn Amsterdamse tijd [1915] zag hij wel eens toneel en ballet. Zo noemde hij Midzomernachtdroom van Shakespeare. Ook zag hij ballet, maar [hij] zei liever balletmuziek alleen te horen, en niet te hoeven kijken naar de afleidende bewegingen en de dwaze kledij. Dit zeggende lachte hij enigszins spottend.’

Nu is het inderdaad zo, dat balletmuziek in Pierre Kemps grammofoonplatencollectie goed vertegenwoordigd was. Favorieten waren bijvoorbeeld Daphnis et Chloé van Maurice Ravel en Le Festin de l’araignée van Albert Roussel. Dat nam echter niet weg dat de dichter wel degelijk geïnteresseerd was in de visuele aspecten van ballet. Hij bezocht weliswaar sinds lang geen voorstellingen meer, maar boeken over dans bezat hij wel. En had hij zich in 1931 niet met al zijn fantasie en tekenkunst gestort op het ontwerpen van dansscènes? Of zoals hij het zelf in een (concept)brief aan een onbekende adressant in de Verenigde Staten noemde: ‘It are for the most part sketches for catch-dances or catch- and/or undressing and dressing dances.’[2]
Wat zijn boeken over ballet betreft: in zijn bibliotheek, die bewaard wordt in de Universiteitsbibliotheek Maastricht, bevindt zich bijvoorbeeld Design for the ballet door Cyril W. Beaumont, een speciale, 152 pagina’s omvattende aflevering van het tijdschrift The Studio uit 1937, met 250 afbeeldingen van kostuum- en decorontwerpen van beroemde designers. En ook de Dictionnaire du Ballet moderne, in 1957 verschenen te Parijs en blijkens notities op de kaft door Kemp terdege ingezien eind mei / begin juni 1958.[3] Enkele maanden voor zijn gesprek met Willy Paulissen over ‘afleidende bewegingen en dwaze kledij’. Opmerkelijk ook: voor Harry G.M. Prick en zijn verloofde Lily Maessen schreef hij een ‘suite’ van negen gedichten, Ballet de Coeur, die eind september 1959 het licht zag in de vorm van een boekje ter gelegenheid van het op 1 september gesloten huwelijk. Het waren gedichten met Franse titels, aanduidingen van choreografisch gedachte scènes: ‘Entrée romantique’, ‘Couleur de chair’, ‘La voix sous le soleil’ enzovoort.

De gesprekken van Willy Paulissen met Pierre Kemp kregen ook nog in 1959 een vervolg. In een briefje gedateerd 18 juni 1959 schreef de dichter aan de student:

Leest U, als besproken, elke regel vers grondig, desnoods nog van achteren naar voren.
Gaarne zie ik U dan met Uw selectie weer verschijnen hier.
Tot dan, met vriendelijke buurtgroet,
Uw
Pierre Kemp

In de tussentijd was ook Willy’s vader, Coen Paulissen, die als expeditiechef bij Vroom & Dreesmann werkte, weer eens in actie gekomen voor de oude dichter. Op 18 november 1958 schreef Kemp aan Paulissen senior:

Voor een braaf jongetje[4] van een mijner litteraire vrienden, moet ik een doos ‘LEGO-BOUWSTENEN’ kopen of beter gezegd laten rijden tegen 6 December e.k..
Deze dozen worden bij V. & D. verkocht. Ik zelf kan er niet komen en mijn huisgenoten doen het niet graag, bang dat ze het niet goed doen.
Zoudt U niet zo vriendelijk willen zijn, mij hierin van advies enz. te willen zijn? Ik heb hier het foldertje, waar een aantal modellen op staan. Het gaat om een doos van ± f. 10.- met zoveel mogelijk blokjes om te bouwen. Bij voorbaat dankend voor de te nemen moeite, hoogachtend,
Pierre Kemp

Een kleine week later was de missie van de heer Paulissen voltooid. Pierre Kemp schreef hem:

Deze dagen ontving ik van V. & D. door Uw goede zorgen de Lego-doos voor het brave jongetje. Ik heb de chauffeur direct betaald en zo zal dit ook wel in orde zijn.
Mijn hartelijke dank voor Uw tussenkomst in deze en gaarne tot wederdienst bereid,
met vriendel. gr. en hoogachting
Pierre Kemp

Dit briefje werd Kemps straatgenoot, acht huizen verderop in de richting van het Sterreplein, per post bezorgd. (De door de dichter gefrequenteerde rode brievenbus stond schuin tegenover zijn huis, op de hoek met de Antoon Lipkensstraat, bij het nu al geruime tijd geleden gesloopte patronaat.)

Wie hier wie een wederdienst bewees, Kemp die Willy gewillig te woord stond over zijn poëzie of Coen Paulissen die Kemp van dienst was met betrekking tot de legoblokjes, dat was om het even. Met Willy bleven de contacten in ieder geval bestaan tot in 1963.
Op 18 december 1961 dankte de dichter zijn studieuze lezer voor diens ‘gestadige belangstelling in mijn dichtwerk gedurende al enige jaren.’

pinksterbloemen2

Op 15 juni 1962 liet Willy Paulissen, inmiddels getrouwd, ’s avonds tegen kwart voor 7 door zijn vrouw Hanny een bos pinksterbloemen, geplukt langs het Albertkanaal (Pottenberg) bezorgen bij Pierre Kemp. Hij noteerde later:

De andere dag zag ik de bloemen voor de ruit staan, zichtbaar door de gordijnen. Ik wist dat ik P.K. hiermee blij zou maken.

Die dag revancheerde Kemp zich met een gedicht, sprookjesachtig, als van Hans Christian Andersen:

PEENKSTERBLOMME
(Margerieten)
               voor Willy Paulissen

De bloemen keken door de blauwe ruiten
en zagen de wassende maan.
‘Alles is nu toch zo vrij daar buiten
en wij moeten achter de glazen staan!’
De oudste bloem, het eerst compleet gekomen,
sprak met de stem-van-bloemen-dromen:
‘Ja, maar wij staan hier in het dichterhuis
met al zijn rijen boeken. Dat geruis
daar is niet van een vlinder van de nacht.
Het is zijn eigen geest, die dankt héél zacht
zowel de schenker van ons stille bloemen,
als de bevallige, die ons tot hem bracht
en waar hij niet de naam van weet, om die te noemen.’

Nacht van 15 op 16 juni 1962.

Dit is Pierre Kemp op zijn charmantst. Een alleen maar impliciete verwijzing naar het feit dat hij wel veel van weidebloemen, maar eigenlijk niet van bloemen in vazen hield. Geplukte of afgesneden bloemen golden voor hem in zekere zin als vermoord. Maar vooral: hij voelde een zekere verlegenheid over het feit dat hij ‘de bevallige’ die hem de bloemen bezorgd had in zijn dankvers niet bij haar naam kon noemen. (De naam was Hanny Jurgens, en het toeval heeft gewild dat zij een dochter was van Hub Jurgens, een jongere collega van Pierre Kemp op het kantoor van de steenkolenmijn Laura in Eygelshoven.)

Een jaar later, in juni 1963, herhaalde Willy Paulissen zijn bloemengroet. Opnieuw stuurde hij een boeket dat hij bij de wijk Pottenberg, waar hij sinds zijn huwelijk woonde, had geplukt. Kemp schreef hem:

Voor Uw fleurig juni weiden-boeket-der-velden hierbij mijn beste dank. U hebt het mooi gekozen in de goede soorten, die mij al uit mijn kinderjaren bekend zijn en bijgebleven en bij herhaling in mijn kleine en grotere gedichten zijn opgenomen.

 

Een volgend bericht in deze serie gaat over Pierre Kemp en de bewoners van Turennestraat 19.

 

[1] Ik dank de heer W. Paulissen hartelijk voor de inzage die ik enkele jaren geleden mocht hebben in zijn memorabilia betreffende Pierre Kemp.

[2] Meer hierover in Wiel Kusters, Pierre Kemp. Een leven. Nijmegen, Vantilt, 2010, 331-333.

[3] Zie de catalogus van (een belangrijk deel van) Kemps boekerij in Wiel Kusters / Harry G.M. Prick, ‘Bladeren en lezen in groot verstaan’. Pierre Kemp in de wereld van het boek. Maastricht, Datawyse / Universitaire Pers Maastricht, 1995.

[4] Bedoeld was Folkert Tijdens, het zoontje van E.F. (Harrie)Tijdens, dermatoloog en oriëntalist. Over Tijdens zie: Wiel Kusters, Pierre Kemp. Een leven, passim.

Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmailby feather

‘De werken van een oude dichter’: Luceberts gedicht voor Pierre Kemp (1956)

Gedicht en tekening van Lucebert (manuscript) in het Liber Amicorum dat Pierre Kemp in 1956 werd aangeboden.

Op zijn zeventigste verjaardag, op 1 december 1956, kreeg Pierre Kemp een liber amicorum aangeboden, een met de hand geschreven, getekend en geschilderd boek in 1 exemplaar, waarmee tal van dichters en kunstenaars hun bewondering en genegenheid voor de dichter tot uitdrukking brachten. Het boek was tot stand gekomen door de goede zorgen van Kemps vrienden, de leraar Nederlands Fernand Lodewick en de dermatoloog en oriëntalist Harrie Tijdens.

Ook Lucebert werkte mee en wel met een voor Pierre Kemp geschreven gedicht en een tekening (zie foto).

De Werken van een Oude Dichter

Het lange dwaze leven de vechtende steen door drie
Vuren kanalen doorsneden en ook drie
Vlammende bruggen naar het gasvormige huis
Het Paleis – de Pagode – het Priëel

En des morgens vroeg met de handen
– twee landen vol denkend licht –
Naar den Oever dan daar het Lied
Nabij leren wenken naar het weven der vogels

En in de middag de geest overgegeven
Aan het hernieuwde dier dat weer de zon gewon
Of ook gewond gaan werken aan het verbreiden
Van verborgen bronnen onder het doortrapte net van wegen

Maar als hij op de avonddrempel hurkt
En naar de blankgebrande maan ziet
Hoort hij weer zijn wijze slangen zingen in het grijze hout.

Lucebert

Het gedicht verscheen – zonder de tekening – ook in de decemberaflevering 1956 van Maatstaf. Maandblad voor letteren,
voorzien van de opdracht ‘voor Pierre Kemp’.
De Maatstaf-versie bevatte een aantal varianten, die zijn overgenomen in de door C.W. van de Watering verzorgde editie van Luceberts Verzamelde gedichten (Amsterdam, De Bezige Bij, 1974). In de gedetailleerde verantwoording van deze editie is de versie uit het liber amicorum voor Pierre Kemp onvermeld gebleven. Aan de editeur was de ‘oertekst’ van het gedicht kennelijk niet bekend.

De voornaamste veranderingen die Lucebert in de Maatstaf-versie aanbracht waren: het weglaten van hoofdletters en leestekens; het veranderen van ‘naar den Oever’ in ‘naar de oever’; het uitbreiden van ‘de geest’ (r. 9) tot ‘de tegenstrijdige geest’; en het veranderen van ‘het hernieuwde dier’ (r. 10) in ‘het nieuwe dier’.

Blader hier door het complete kleurrijke en verrassende Liber Amicorum voor Pierre Kemp, dat bewaard wordt in de Universiteitsbibliotheek in Maastricht.

Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmailby feather

Verfdoos uit de schatkamer van Sint Nicolaas

Misschien wel Pierre Kemps mooiste en vindingrijkste gedichtenbundel is Engelse verfdoos, die in 1956 ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag het licht zag bij Bert Bakker / Daamen n.v. in Den Haag.

Voor de inhoud en de opbouw van zijn bundel baseerde Kemp zich op de kleuren van de waterverfdoos van Engels fabricaat die als artikel 111 werd aangeboden in Vroom & Dreesmanns De schatkamer van Sint Nicolaas. Geïnspireerd door al die kleuren en hun dikwijls schitterende namen schreef hij tussen medio november en einde december 1955 zestig gedichten, van ‘Cerise’ tot ‘Rose madder’.

IMG_6433

Engelse verfdoos die Pierre Kemp het systeem en de inspiratie leverde voor zijn gelijknamige gedichtenbundel. Exemplaar uit het bezit van Folkert Tijdens, die er als kind mee speelde.
Engelse verfdoos die Pierre Kemp het systeem en de inspiratie leverde voor zijn gelijknamige gedichtenbundel.
Exemplaar uit het bezit van Folkert Tijdens, die er als kind mee speelde.

Kemp kwam als gevolg van diverse kwalen nog maar zelden buiten de deur en vrijwel nooit meer in het centrum van Maastricht. Zijn huisgenoten hield hij het liefst op enige afstand van zijn werk. Zijn dichterschap was hun vreemd. Bovendien hadden zijn drie zonen overdag hun eigen bezigheden.  Hoe kwam hij aan een exemplaar van die Engelse verfdoos?
Ondanks zijn op het eerste gezicht misschien wat mensenschuwe gedrag onderhield Pierre Kemp goede tot vriendschappelijke relaties met enkele straatgenoten. Onder hen de familie Paulissen, Turennestraat 5. De heer Paulissen werkte als expeditiechef bij Vroom en Dreesmann en was graag bereid de dichter een exemplaar van de begeerde verfdoos thuis te bezorgen.

In een volgend bericht meer over Kemps contacten met vader én zoon Paulissen.  En met andere buurtbewoners.
Hier nu eerst een gedicht uit Engelse verfdoos, nummer XVII:

Indian Yellow

De kleine tovenaar Penseel
drinkt aan het napje Indisch Geel
en tript naar het groen gekarteld buiten
om duo’s met de wind te fluiten.
Ik vraag mij af, waarheen hij wil
en of dit is zijn nieuwste gril,
maar laat hem gaan.
Hij blijft bij de boterbloemen staan,
niet merkend, hoe ik hem bespied
en luister naar zijn fluitelied,
tot hij zegt tegen die bloemen: ‘Kijk!
Wij zijn nu even geel en even rijk!’

 

De achtergrondkleur van het door Dick Elffers vormgegeven omslag is groen. De kleur waarover Kemp in het gedicht 'Emerald green' schrijft: 'Groen is zo goed voor mijn zieke ogen, / gepijnig door de kleuren van de zonneschijn.'
De achtergrondkleur van het door Dick Elffers vormgegeven omslag is groen. De kleur waarover Kemp in het gedicht ‘Emerald green’ schrijft: ‘Groen is zo goed voor mijn zieke ogen, / gepijnig door de kleuren van de zonneschijn.’

 

Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmailby feather